Op Europees niveau werd een uitgavennorm voor de overheid ingevoerd in het preventieve luik van het SGP tijdens de hervorming van de governance van de overheidsfinanciën, die in december 2011 ten uitvoer werd gelegd met de inwerkingtreding van het Sixpack. De redenen voor de invoering van deze norm op Europees niveau zijn dat de groei van de overheidsuitgaven vóór de economische en financiële crisis van 2008 te hoog was en dat de variabelen konden worden omzeild.
Het referentiepercentage van de norm (Verordening (EU) 1175/2011) is gelijk aan de potentiële groei van het bbp op middellange termijn en wordt vastgesteld op basis van projecties in een prospectieve benadering of van ramingen in een retrospectieve benadering. Deze projecties worden jaarlijks geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor deze projecties en het daaruit voortvloeiende referentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp op middellange termijn openbaar.
In de praktijk is het referentiepercentage van het jaar T gelijk aan het gemiddelde van de potentiële bbp-groeipercentages over een periode van tien jaar (van T-5 tot T+4). De Europese verordening voorziet in twee scenario’s voor het gebruik van het referentiepercentage, naargelang de beoordeelde lidstaat zijn middellangetermijndoelstelling (MTO) al dan niet heeft bereikt. In het eerste geval is dat referentiepercentage gelijk aan de potentiële groei van het bbp op middellange termijn. Dit referentiepercentage moet er aldus voor zorgen dat de groei van de overheidsuitgaven in overeenstemming is met de potentiële groei van de economie op middellange termijn en dat het structurele saldo in de lijn van de MTO wordt gehandhaafd. Indien de lidstaat daarentegen zijn MTO niet heeft bereikt, is het referentiepercentage gelijk aan het bovengenoemde referentiepercentage, maar dan met aftrek van een convergentiemarge (convergence margin). Deze convergentiemarge heeft tot doel de groei van de overheidsuitgaven van de lidstaat te beperken teneinde het structurele saldo in de richting van de MTO te doen convergeren. Het groeipercentage van de uitgaven wordt door de Commissie gecontroleerd tijdens haar beoordeling van het Stabiliteitsprogramma zolang de lidstaat zijn MTO niet heeft bereikt. Als het structurele saldo van het jaar dat voorafgaat aan het onderzochte jaar boven de MTO ligt, wordt de controle op de naleving van de uitgavennorm niet door de Europese Commissie verricht en leidt elke afwijking van het groeipercentage van de uitgaven ten opzichte van het referentiepercentage niet tot sancties.
Het aggregaat van de overheidsuitgaven dat voor de toepassing van de Europese norm wordt gebruikt, wordt gedefinieerd als de totale uitgaven van de overheid in hun geheel. Van dit aggregaat worden de uitgaven in verband met de rentelasten, de uitgaven in verband met de EU-programma’s die volledig worden gedekt door inkomsten uit middelen van de Unie en de niet-discretionaire wijzigingen in de uitgaven in verband met de werkloosheidsuitkeringen afgetrokken. De reden waarom deze uitgaven worden afgetrokken is dat de regering weinig of geen vat heeft op de ontwikkeling of de dynamiek van deze uitgaven.
De investeringsuitgaven, van hun kant, worden over vier jaar afgevlakt om rekening te houden met de grote volatiliteit ervan. De investeringsuitgaven met betrekking tot het jaar T zullen dus gelijk zijn aan het gemiddelde van de investeringsuitgaven in de periode van het jaar T-3 tot het jaar T.
Gepreciseerd moet worden dat de impact van de discretionaire maatregelen op de ontvangstenzijde ook van de totale uitgaven wordt afgetrokken, hetgeen betekent dat de Europese uitgavennorm geen “zuivere” uitgavennorm is. De invoering van een uitgavennorm is immers niet bedoeld om de omvang van de overheidssector te beïnvloeden of te beperken, wat een soevereine beslissing blijft, maar veeleer om ervoor te zorgen dat elke verhoging van de uitgaven alleen kan worden gerealiseerd door middel van bijkomende inkomsten die op discretionaire wijze door de overheid worden toegepast. Ten slotte wordt het aldus verkregen bedrag van de gecorrigeerde “overheidsuitgaven” gedeflateerd om de groei ervan in volume vast te stellen.
In totaal wordt dus het groeipercentage van de overheidsuitgaven in volume vergeleken met het potentiële groeipercentage in volume van het bbp.
« Back to Glossary Index